Schrijven over de situatie hier op Lesbos doe ik met passie. Begaan met mensen, onder de indruk van de organisaties, boos over internationaal beleid dat met de dag grimmiger wordt. En ik schrijf makkelijk. Dat beschouw ik als een cadeau. Maar schrijven over hier kent ook uitdagingen. Ik schrijf op wat ik zie, leg mijn eigen perspectief ernaast en hoop de lezers iets te geven waar ze wat aan hebben en/of aan te zetten tot iets wat nodig is.
Tegelijk zit een schrijver altijd ergens gevangen in zijn/haar eigen kader én in de beperkingen die de werkelijkheid oplegt.
Ik kan niet alles opschrijven wat ik wil om mensen en organisaties niet in gevaar te brengen. Zo ook met foto’s. Als ik door het kamp loop zie ik zoveel dingen die in één plaatje meer zeggen dan in 5 regels, maar foto’s maken mag niet. Zo’n isobox met 8 mensen erin, heel donker en met allemaal schoenen en slippers voor de deur die laten zien hoeveel mensen er zitten. Deze zin beschrijft het, één foto geeft het kleur.
Hoe ga je om met verhalen van mensen? Ik geloof dat er niets is dat duidelijker kan maken dan een verhaal (op papier, film, foto’s) over waar het hier om gaat: waarom gaan mensen uit hun land weg, de ontberingen onderweg, aankomen in Turkije, zich daar niet veilig voelen, oversteken per boot, hier arriveren en dan Europa in waar je Griekse verblijfsvergunning niet geldt en het proces opnieuw begint. Maar elk verhaal is het bezit van iemand. En het moet nooit voelen dat er een soort transactie is tussen geholpen worden en je verhaal op laten tekenen voor een organisatie die er bijvoorbeeld fondsen mee gaat werven. En tegelijk hebben de organisaties hier domweg geld nodig.
Wat zeg je over mensen hier? De vluchteling bestaat niet. Maar in deze dagen kan elke zin worden misbruikt in het framework van haat. Ja er is geweld in het kamp. En op iedere plek waar zoveel mensen gestresst bij elkaar zitten gebeurt dat. Maar het is net als met de berichtgeving over wat andere onderwerpen in de krant, bijv aanslagen door een eenling. Wordt dat door iemand gedaan met een moslim achtergrond, dan is hij een terrorist en dat is een cadeau voor aanhangers van negatieve gedachten over moslims, wordt het gedaan door een niet moslim, dan is het een zielige man met mentale problemen. Het is niet alleen wat je schrijft maar ook hoe, welke woorden gebruik je. Welke woorden gebruik ik. Hoe vang ik de werkelijkheid zonder ongewild beelden te voeden.
Wat komt er in je op bij het woord vluchteling? En wat als je weet dat iemand vluchteling is geweest. Ik zat gisteren in een taverne bij 5 vrijwilligers, allemaal net zo oud als mijn eigen jongens. Een van hen was vluchteling geweest. Maar ik zat gewoon met 5 leuke jonge mensen te praten, te lachen, af en toe heel serieus, soms ik een beetje moederlijk, soms zij beetje zorgzaam, altijd leuk.
Een aantal tolken van Fenix woont ook in het kamp, wachten op het antwoord in hun procedure. Er staat niet op hun voorhoofd vluchteling. En er staat al helemaal niet zielig. Gewoon aardige jongens.
Maar natuurlijk is niet altijd iedereen aardig. Maar dat is in Nederland ook niet. Maar als ik schrijf over een niet aardige of boze vluchtelingen past dat naadloos in narratief dat van elke nuance gespeend is. Het is dus zoeken naar woorden. Mijn verhalen zijn subjectief, ze worden wel door aantal mensen gelezen voor ik ze publiceer en die zijn er erg blij mee. Dat vind ik erg fijn.
De zon schrijnt uitbundig, het staat een ijzig koude wind, en als bij elke reis is er veel om over na te denken. Worden beelden bevestigd en uitgedaagd. Blijft het een zoektocht naar zie ik mensen echt als mens zoals ik steeds roep dat we moeten doen, of heb ik nog steeds stereotypen in mezelf te overwinnen. Ik denk dat dat ook nooit overgaat. Maar ik doe mijn best.